|
Een hoofdstuk
uit het boek
geschreven door Yvonne Brandts-Jansema |
|
Gekwaak tussen het riet |
|
Op een warme
voorjaarsmorgen loopt Otto zich een beetje te vervelen. Mikkel is op bezoek bij zijn oom en tante, dus daar heeft hij vandaag niks aan. En zijn zusje Britt is uit logeren bij opa en oma in Zandbeek. Nadat hij een tijdje heeft toegekeken hoe mama Maren deeg aan het kneden is, komt hij op een idee. ‘Mag ik wat brood om de eenden te voeren?’ vraagt hij. Mama geeft hem een paar sneetjes. ‘Wel voorzichtig zijn hè?’ waarschuwt ze, zoals altijd. ‘Niet te dicht bij het water komen.’ Fluitend gaat Otto op weg naar de sloot waar de eendjes meestal zwemmen. Daar aangekomen is er echter niet één eend te zien. Waar zouden ze zijn? Jammer, nu heeft hij nog niets te doen. Otto draait zich alweer om om terug naar huis te gaan als hij iets hoort. Tussen het riet klinkt een zacht gepiep en gekraak. Voorzichtig loopt hij in de richting van het geluid. Er ligt een gebroken ei tussen de rietstengels. Een klein kuikentje is net bezig eruit te kruipen. Otto moet lachen. Er zit nog een stukje van de eierschaal op het kopje van het beestje. Waar is de moeder eend? Otto kijkt een beetje rond in de buurt, maar alles wat hij vindt zijn nog meer gebroken eierschalen. Geen eend te bekennen. |
|
|
Maren, Otto's moeder |
|
|
Ik kan maar
beter aan mama gaan vragen wat we het beste kunnen doen, bedenkt hij. Hij
begint in de richting van het huis te lopen. Als hij nog een keer omkijkt
naar het kuiken, ziet hij dat het kleintje hem achterna komt. Maar het
kuikentje kan hem niet bijhouden met zijn kleine pootjes. Otto wacht even
tot het eendje hem ingehaald heeft. Het is wel heel grappig. Als Otto een stap naar links doet, doet het kuiken dat ook. En stopt hij met lopen, dan stopt het kuiken. Otto gaat op zijn knieën zitten en steekt een hand uit. Meteen klimt het kuikentje erop. Met het kuikentje in zijn handen loopt Otto voorzichtig verder naar huis. Hij gaat naar binnen en zet het eendje even op de grond in de gang. ‘Hier blijven hoor,’ fluistert hij. ’Mama vindt het vast niet goed dat je in de keuken komt.’ Hij doet de deur naar de keuken open. ‘Mama!’ roept hij. ‘Mama!’ ‘Wat is er?’ vraagt Maren ongerust. |
|
Het kleine eendje |
|
Struikelend
over zijn woorden vertelt Otto het hele verhaal: Dat alle eenden weg waren,
van het kuikentje en dat het steeds achter hem aanliep.
Plotseling horen ze een
zacht gekwaak achter de deur. Het kuikentje is vast bang geworden, zo
alleen in die grote gang. ‘Pak hem maar weer op en houd hem tussen je
handen,’ zegt mama. ‘Hij kent jou nu en is niet bang voor je. Het is
belangrijk dat hij warm blijft.’ ‘Maar wat doen we nu met Kwekkel?’ vraagt
Otto. ‘Mag hij bij ons blijven?’ Mama glimlacht. ‘Heb je hem zelfs al een
naam gegeven, jongen?’ Ze vertelt Otto dat het niet zo’n goed idee is om Kwekkel te houden. Het is beter voor hem als hij bij zijn moeder en broertjes en zusjes leeft. Zo kan hij alles leren wat een eend moet weten. Daarom gaan Otto en zijn moeder op zoek naar de eenden. Otto draagt Kwekkel en langzaam lopen ze naar de sloot. Volgens mama is Kwekkels moeder vast met de andere kleintjes een stukje verderop, waar het riet nog dichter is. Daar zijn de kleintjes veiliger, omdat ze zich daar beter kunnen verstoppen. |
|
|
Otto en het eendje |
|
|
Mama heeft gelijk. Achter
de volgende bocht in de sloot zien ze eerst een paar grote eenden zwemmen.
Nog iets verder vinden ze een moeder eend met zes kleine kuikentjes. Dat
moet de moeder van Kwekkel zijn‘Zet het kuikentje hier maar neer,’ zegt
mama zachtjes. Otto zet Kwekkel voorzichtig op de grond, vlak bij de
andere kuikentjes. Kwekkel begint meteen weer zielig te kwaken. Otto wil
hem al weer oprapen, maar mama houdt hem tegen. De moeder eend heeft het gekwaak ook gehoord. Ze komt direct naar Kwekkel toe en brengt hem bij de andere kleintjes. Even later plonst de moeder het water in, gevolgd door zeven gele kuikentjes. ‘Kijk eens,’ roept Otto verbaasd. ‘Kwekkel kan al zwemmen, terwijl hij nog maar pas geboren is.’ Ze bleven nog even kijken tot alle eendjes uit het zicht verdwenen zijn. Dan lopen ze weer terug naar huis. Otto wil nog iets weten. ’Hoe kan het dat Kwekkel zomaar alleen achtergelaten was?’ Zeker weet mama het niet natuurlijk, maar ze heeft wel een idee: ‘Ik denk dat de andere kuikentjes al eerder uitgekomen zijn. De moedereend heeft vast gedacht dat er geen kuikentje in het laatste ei zat. Dat gebeurt wel eens. Ze noemen dat een windei. Daarom is ze na een tijdje met de andere kuikens weggegaan.’ |
|
Otto's vader Teis |
| ‘Gelukkig maar dat ik toevallig langs kwam,’ zucht Otto blij. ‘Anders was Kwekkel vast doodgegaan.’ Als ze weer bij het huis komen, komt papa Teis net uit de werkplaats gelopen. Otto rent naar hem toe om hem het hele verhaal te vertellen. Papa is ook heel blij dat Otto het kuikentje gered heeft. De volgende dag komt Britt weer thuis en met z’n vieren wandelen ze ’s middags langs de sloot. Mama heeft weer brood meegenomen. Otto en Britt scheuren het brood in kleine stukjes en gooien die in het water. Al snel komen alle eendjes aanzwemmen. Als laatste de moeder eend met haar zeven jongen. ‘Kijk, Britt,’ wijst Otto. ‘Die achterste, met dat bruine vlekje bij z’n vleugel. Dat is nu mijn Kwekkel!’ Zijn ouders kijken elkaar aan en lachen zachtjes. Als het brood op is gaan ze weer naar huis. Vanaf die dag kijkt Otto elke dag even of hij Kwekkel ergens ziet. Want het is toch een beetje zijn eendje. |
|
|
Otto's zusje Britt |